Pepijn en het Pokémon geheim

Een verhaal dat ik schreef in de tijd dat Pokémon nog razend populair was. Het is als boek niet uitgegeven. Kan de liefhebber wel voorzien van het digitale bestand van 100 pagina's. Het onderstaande verhaal zijn allemaal stukjes uit verschillende hoofdstukken dus loopt soms niet of onduidelijk door.
Het speelt zich geheel af in Lelystad.

PEPIJN en het POKÉMON GEHEIM
‘Kijk uit Pepijn, vlak voor je zit een Pokémon’, roept Yorick. ‘Ik zal een Pokébal gooien om hem te vangen’.
Pepijn kijkt beteuterd. Hij heeft geen smartphone dus kan de Pokémon niet zien.
Samen met broertje Juliën delen ze de oude iPhone 5 van mama Marije. Hierop kunnen alleen spelletjes gespeeld worden.
Mama vindt hem nog te jong maar heeft beloofd dat, wanneer hij naar het voortgezet onderwijs gaat, een smartphone krijgt.
Yorick, zoon van Rémon de vriend van mama, is dertien jaar. Hij zit op de SGL in Lelystad en heeft een smartphone. Juliën is acht jaar.
Ze lopen gedrieën naar het huis van mama aan de Tjalk in Lelystad.
Pepijn is nog steeds niet vrolijk. Hij wil ook Pokémons vangen. Voor, tijdens en na het eten is hij opvallend stil. Mama merkt dat op en vraagt wat er is. Pepijn wil geen antwoord geven, hij staat op en zegt dat hij naar zijn kamertje gaat.
En terwijl er een paar traantjes over zijn wangen lopen, nestelt hij zich in zijn bedje. Hij krult zich helemaal op, beentjes omhoog en zijn neus raakt bijna zijn knietjes. Kussens en dekens om zich heen al was het een vogelnestje.
Mama heeft beneden geen rust en gaat na een tijdje toch even bij hem kijken. Lopend op de trap hoort ze hem zachtjes snikken. Dat doet haar pijn. Ze gaat op de rand van het bed zitten, streelt hem door het haar en vraagt waarom hij zo stil is en moet huilen.
Door zijn tranen heen zegt Pepijn: ‘Ik wil ook zo graag Pokémons vangen, al mijn vriendjes op school hebben een smartphone, ik word er zelfs mee geplaagd’.
Mama weet even niet wat ze moet zeggen. Ze moet nu zelf ook een traantje wegpinken. ‘Luister’ zegt ze ‘ik vind je eigenlijk nog te jong en zo’n ding kost best veel centjes, ik wil er even een nachtje over slapen. Vind je dat goed?’
‘Mag ik het dan morgenvroeg aan je vragen?’ zegt Pepijn bijna opgewonden. ‘Ja’ antwoordt mama ‘maar ik beloof niets hoor!’
Het wordt een onrustige nacht voor Pepijn. Zijn compleet brandweer rode ingerichte kamer, draait soms alle kanten op. Pepijn is autistisch en denkt vooral in beelden.
Nederlandse liedjes als: ‘ik heb een tuintje in mijn hart voor jou’ neemt hij dan ook letterlijk en begrijpt niet hoe dat kan.
Zo ook met Pokémon. Hij ziet nu al overal de beelden van de Pokémons in zijn kamer en weet zeker dat wanneer hij een smartphone heeft, hij ze alle 150 gaat vangen.
Juliën zijn broertje die in de kamer er naast slaapt, komt met zijn hoofdje om de deur kijken en vraagt waarom Pepijn zo onrustig is.
‘Misschien… misschien… krijg ik toch een smartphone van mama’ stamelt hij zachtjes richting zijn broertje.
‘Oh wat fijn voor je’ antwoordt deze ‘mag ik dan ook eens helpen de Pokémons te vangen?’ ‘Natuurlijk’ zegt Pepijn ‘maar eerst afwachten wat mama beslist’.
’s Middags als ze Pepijn van school haalt, is direct zijn eerste vraag in de auto: ‘en mama heb je iets kunnen vinden?’ Mama moet lachen om de manier waarop hij zijn vraag stelt. Ze kan er bijna niet omheen om iets anders te antwoorden al zou ze dat al willen, dus zegt ze volmondig: ‘ja het is gelukt’.
Het is dat Pepijn in de autogordels zit, anders had hij ter plekke een vreugdendans in de auto gemaakt.
In de tuin drukt Pepijn op het pijltje omhoog, blijft even stilstaan en drukt dan langzaam de smartphone iets naar boven. Heel langzaam gaat hij vooruit. Vlak voor de tuinschutting stuurt hij naar links en zweeft richting einde tuin. Hij drukt het pijltje naar beneden en staat weer op de grond.
‘Hoe vinden jullie het?’ vraagt hij.
‘Geweldig’ antwoordt Rémon. ‘Leuk’ zegt Juliën.
Pepijn stijgt weer op en zweeft met diverse bochten om de tuinhut die mama en Rémon voor ze gebouwd hebben. Het gaat wonderbaarlijk goed en hij eindigt weer bij de tuindeur waar hij was begonnen.
‘Fantastisch’ zegt Rémon en voegt nog even toe terwijl hij naar binnen gaat: ‘doe wel voorzichtig en kijk goed uit, want vijftien kilometer per uur is best hard’. Pepijn knikt dat hij het begrijpt.
Na een uurtje of twee rondjes gedraaid te hebben en diverse bewegingen te hebben geoefend, vind Pepijn het tijd om even buiten de tuin verder uit te proberen. Mama en Rémon zijn boodschappen aan het doen.
Ze struinen door de bomen en planten naar het grasveldje langs de kant van het water dat achter het huis ligt. Hier kan Pepijn wat meer snelheid maken.
Hij stijgt weer op, drukt de smartphone iets omhoog en zweeft naar voren. Hij voelt zich net Max Verstappen de Formule 1 coureur. Juliën rent achter hem aan, maar Pepijn gaat steeds sneller waardoor Juliën moet afhaken. Hijgend ziet hij Pepijn in de verte verdwijnen.
Na enkele minuten komt Pepijn weer in beeld. Zijn rode gekleurde wangetjes geven aan dat hij het helemaal naar de zin heeft. Wat een feest!
Pepijn stopt waar Juliën staat en drukt op het pijltje naar beneden. Als hij weer op de grond staat zegt Juliën: ‘Zweef eens over het water naar de overkant waar dat eilandje is’.
Het is best een breed watertje, zo’n vijftien meter en omdat ze hier pas wonen, zijn ze nog niet op dat eilandje aan de overzijde geweest.
‘Ja’ roept Pepijn ‘dat lijkt mij een goed plan’. Hij stijgt op, drukt de smartphone iets omhoog en zweeft richting water. Hij heeft nu best een beetje snelheid, maar eenmaal boven het water gekomen, stopt het zweven en valt hij recht naar beneden in het water. Tot aan zijn middel staat hij in de modder.
‘Chips hoe kan dat nou’ vraagt hij zich bijna huilend af ‘ik heb toch niet op een verkeerd knopje gedrukt. Of zou mijn smartphone het nou toch begeven hebben?’.
Gelukkig heeft hij zijn smartphone droog kunnen houden.
Hij kijkt naar de wallenkant waar hij Juliën ziet staan lachen en hierdoor schiet hij ook zelf in de lach. Het huilen is snel vergeten.
‘Maar hoe kan dat nou toch’ stamelt hij vanuit de modder. Heel langzaam trekt hij zijn beentjes uit de prut en klimt op het gras.
‘Je stinkt enorm’ lacht Juliën nu hardop ‘wat een meur’.
‘Wat moet ik nou doen?’ vraagt Pepijn.
‘In ieder geval gaan douchen’ lacht Juliën hem toe ‘maar ik zou ook Alibaba om raad vragen.
‘Dat is een goed idee’ zegt Pepijn en roept naar het scherm: “Ali open u”.
Daar verschijnt Alibaba. Hij ziet Pepijn zijn modderige beentjes en schoenen en moet toch even glimlachen. ‘Het is fout gegaan boven water hé?’ vraagt Alibaba.
‘Klopt’ zegt Pepijn ‘ik stortte in één keer naar beneden in de modder’.
‘Mijn schuld’ zegt meneer Ali ‘ik was vergeten te zeggen dat je alleen op harde ondergrond kunt zweven, dus niet boven water’.
Plotseling zien ze een kring van kinderen die om een meisje heen staan. Het meisje Demetra uit hun klas wordt duidelijk gepest door één van de jongens uit een andere klas en de kinderen er omheen moeten daar om lachen.
Hugo loopt naar de groep toe en vraagt de jongen te stoppen met pesten. De jongen gaat gewoon door. Dan komt Dille in actie en scheldt de jongen uit voor stomme sukkel. Er verandert echter niets, de jongen gaat gewoon door.
‘Chips’ denkt Pepijn ‘hier moet ik toch echt wat aan doen’.
Ondanks de waarschuwing van mama drukt hij toch op zijn smartphone en stijgt van de grond. Met een flinke snelheid schiet hij naar voren, draait twee keer een rondje om de pester en bij het derde rondje verliest de pester zijn evenwicht en valt op de grond. De hele groep kinderen beginnen hierop de pester uit te lachen.
Pepijn staat inmiddels weer met beide benen op de grond en ziet na enkele minuten, als de kinderen zijn uitgelachen, de verbazing op de gezichten van de andere kinderen.
‘Hoe deed je dat nou?’ vraagt Dille.
‘ Oh gewoon heel snel lopen’ antwoordt Pepijn ‘dan is het net of je zweeft’.
‘Kan ik dat ook leren?’ vraagt Hugo.
Maar Pepijn geeft geen antwoord meer. Hij staat nu bij de pester en wil dat hij zijn excuses aanbiedt aan Demetra.
De pester staat er terneergeslagen bij. Hij stamelt: ‘maar ik zag dit helemaal niet als pesten. Ik wilde een beetje plagen of eigenlijk grapjes maken’.
Ten overstaan van de hele groep kinderen biedt de pester zijn excuses aan en beloofd het nooit meer te zullen doen.
Heel vreemd maar niemand vraagt meer aan Pepijn over zijn vreemde actie door de lucht. Gelukkig maar.

Nadat mama hem op school heeft afgezet, ziet Pepijn zijn vriendjes Dillen en Hugo staan.
‘Hoi’ roept hij ze toe.
‘Hoi’ roept Dille terug ’ik zie dat je een nieuwe smartphone hebt. Leuk, gaan we samen Pokémons vangen’.
‘Helaas’ zegt Pepijn ‘met deze smartphone kan ik geen Pokémons vangen. Ik kan alleen mijn mama bellen als er iets mis met mij is’.
‘Oh wat jammer’ zegt Hugo ‘er zitten hier op school best veel Pokémons’.
‘Ja jammer’ antwoordt Pepijn. En hij heeft het moeilijk om niet te vertellen wat hij wèl met de smartphone kan doen. Iets veel leukers en spannender dan die stomme beestjes vangen, denk hij bij zichzelf.
Tijdens het speelkwartier lopen de drie schoolvriendjes over het schoolplein. Sommige kinderen spelen met een bal of spelen tikketje. Anderen lopen Pokémons te zoeken.
Plotseling zien ze een kring van kinderen die om een meisje heen staan. Het meisje Demetra uit hun klas wordt duidelijk gepest door één van de jongens uit een andere klas en de kinderen er omheen moeten daar om lachen.
Hugo loopt naar de groep toe en vraagt de jongen te stoppen met pesten. De jongen gaat gewoon door. Dan komt Dille in actie en scheldt de jongen uit voor stomme sukkel. Er verandert echter niets, de jongen gaat gewoon door.
‘Chips’ denkt Pepijn ‘hier moet ik toch echt wat aan doen’.
Ondanks de waarschuwing van mama drukt hij toch op zijn smartphone en stijgt van de grond. Met een flinke snelheid schiet hij naar voren, draait twee keer een rondje om de pester en bij het derde rondje verliest de pester zijn evenwicht en valt op de grond. De hele groep kinderen beginnen hierop de pester uit te lachen.
Pepijn staat inmiddels weer met beide benen op de grond en ziet na enkele minuten, als de kinderen zijn uitgelachen, de verbazing op de gezichten van de andere kinderen.
‘Hoe deed je dat nou?’ vraagt Dille.
‘ Oh gewoon heel snel lopen’ antwoordt Pepijn ‘dan is het net of je zweeft’.
‘Kan ik dat ook leren?’ vraagt Hugo.
Maar Pepijn geeft geen antwoord meer. Hij staat nu bij de pester en wil dat hij zijn excuses aanbiedt aan Demetra.
De pester staat er terneergeslagen bij. Hij stamelt: ‘maar ik zag dit helemaal niet als pesten. Ik wilde een beetje plagen of eigenlijk grapjes maken’.
Ten overstaan van de hele groep kinderen biedt de pester zijn excuses aan en beloofd het nooit meer te zullen doen.
Heel vreemd maar niemand vraagt meer aan Pepijn over zijn vreemde actie door de lucht. Gelukkig maar.
’s Middags als mama hem weer van school komt halen, vertelt hij haar in de auto het hele verhaal.
‘Tja’ zegt mama ‘goed gedaan man. Het is inderdaad zo dat veel pesters niet eens door hebben dat ze pesten. Vaak zien ze het inderdaad als een beetje plagen of grapjes maken. Gelukkig hebben jullie op school een heel goed anti-pest beleid waardoor pesten maar weinig voorkomt’.
Pepijn is blij dat mama het zo oppakt en niet boos is dat hij zijn zweefapp heeft gebruikt.
Thuisgekomen ziet hij Yorick in de kamer zitten.
‘Hé’ roept Yorick ‘al veel Pokémons gevangen met je nieuwe smartphone?’.
Pepijn krijgt een hele kleur en denkt: Wat moet ik nou tegen Yorick zeggen. Yorick is wel iets ouder dan ik, maar toch een soort vriend en hij zou mij alles leren over Pokémon’.
Pepijn kan het nu niet meer voor zich houden en vraagt of Yorick even mee naar zijn kamertje gaat. Boven vertelt Pepijn over Alibaba en dat hij een zweefapp heeft en wat hij er mee kan doen. Yorick is onder de indruk, heeft zoiets nog nooit eerder gehoord.
Pepijn drukt op het pijltje omhoog en Yorick kijkt zijn ogen uit. Hij stamelt: ‘Nee, hoe is dat mogelijk?’.
En terwijl Pepijn de smartphone iets omhoog houdt en daardoor iets naar voren gaat, valt Yorick zowat om van verbazing.
‘Mag ik ook even?’ vraagt Yorick.
‘Nee helaas, het is alleen voor mij bestemd, bij andere kinderen werkt het niet’ antwoordt Pepijn.
‘Verdikkeme’ zegt Yorick ‘wat zou ik dit ook graag willen’.
‘Ben jij woensdagmiddag vrij?’ vraagt Pepijn aan Yorick.
‘Ja, hoezo’ vraagt Yorick.
‘Ik ga woensdagmiddag samen met Juliën naar de skatebaan bij het Zilverpark. We gaan wat laat in de middag in de hoop dat er dan geen kinderen meer zijn. Ik wil mijn zweefkunsten weleens op de skatebaan proberen maar dan uiteraard zonder skateboard’.
‘Oh geweldig’ zegt Yorick ‘dat wordt lachen, ik kom ook’.
Na hun gesprek gaan ze naar beneden waar gegeten moet worden. Nog even televisie kijken en dan moeten Pepijn en Juliën, die inmiddels thuis is gekomen van het buitenspelen, naar bed.
De dinsdag is een gewone schooldag. Wel weer even gelachen om Demetra. Als ze kwaad wordt in de klas, gaat ze altijd met stoelen gooien. Gelukkig weet de juffrouw haar weer te kalmeren.
‘Nog één nachtje slapen en we gaan mijn zweefapp op de skatebaan uitproberen’ zegt Pepijn tegen Juliën. ‘Ja’ zegt Juliën ‘ik ben heel benieuwd of dat lukt’.
De volgende ochtend hebben de broers nog school en worden ze door mama met de auto van school gehaald. Ze moet nog even wat boodschappen doen bij de winkels in de Tjalk en parkeert de auto voor de winkel van Action.
‘Oh ja’ brult Juliën ineens ‘kijk Pepijn op de roltrap van de Action kun je ook je zweefapp uitproberen’.
De roltrap van de Action heeft geen treden maar is eigenlijk een rolbaan. En terwijl mama naar de winkels gaat, lopen de broertjes naar het begin van de rolbaan.
Er komt niemand aan dus drukt Pepijn op het pijtje omhoog maar er gebeurt echter niets.
‘Wat nou weer?’ vraagt Pepijn zich af.
Hij roept: “Ali open u” en Alibaba verschijnt in beeld. Hij kijkt een beetje boos naar Pepijn.
‘Hij doet het niet meer’ zegt Pepijn bijna op huilende toon.
‘Eigen schuld, dikke bult’ zegt Alibaba
‘Wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ vraagt Pepijn nu echt huilend.
‘Je hebt ons geheim verraden aan iemand anders, het zou tussen jou, je broertje, je mama en Rémon blijven’ antwoordt Alibaba
‘Ik weet nergens van’ huilt Pepijn
‘Zal je helpen herinneren’ zegt Alibaba ‘wat vertelde je eergisteren tegen Yorick?’.
‘Wat een flapdrol ben ik’ antwoordt Pepijn ‘inderdaad heb ik het Yorick verteld. Maar Yorick is ook een soort broertje van mij dus zag ik daar geen kwaad in. Ik zou het nooit tegen vreemden vertellen’.
‘Nou vooruit’ zegt Alibaba ‘Yorick is inderdaad een soort broertje en mag het ook wel weten. ik zal het dit keer door de vingers zien, maar wees voorzichtig een volgende keer moet ik je zweefapp afpakken. Ga nu maar lekker verder spelen’.
Pepijn is opgelucht dat Alibaba het zo sportief opneemt.
Hij roept naar zijn broertje: ‘Juliën, hou jij de wacht dat er niemand aankomt?’. ‘Tot uw dienst’ grapt Juliën terug. En dan ineens schiet Pepijn de rolbaan op. Hij moet zijn lichaam helemaal naar voren gooien om niet achterover te vallen.
‘Je lijkt wel een skiër’ roept Juliën ‘maar dan wel op de zwarte piste en zonder sneeuw!’.
Pepijn geniet van de manier waarop hij omhoog gaat. Niet zijn smartphone beweegt hem naar voren, maar de rolbaan zorgt dat hij in beweging is.
‘Geweldig’ krijst hij bijna als hij boven is ‘maar nu naar beneden dat is een heel ander verhaal’.
Hij drukt het pijltje omlaag in en loopt naar de rolbaan die naar beneden gaat.
Er komen mensen uit de Action en de winkel Zeeman lopen. Pepijn wacht tot deze beneden met de rolbaan en uit beeld zijn.
‘Kan ie’ roept hij naar beneden.
‘Ja, kom maar’ roept Juliën terug.
En terwijl Pepijn op de rolbaan gaat staan en het pijltje omhoog indrukt, valt hij met een smak achterover op de rolbaan. Hij glijdt naar benden door de zweefapp en komt op zijn kont beneden terecht.
‘Wat doe jij nou?’ vraagt Juliën geschrokken.
Pepijn loopt rood aan, hij heeft pijn aan zijn billen en zijn hele broek is gescheurd.
‘Oh, oh ,oh, dat wordt weer wat uitleggen aan mama’ zegt Juliën.
‘Ja, maar ik kan er toch niets aan doen’ zegt Pepijn met een beteuterd gezicht ‘naar beneden hangen is veel moeilijker dan voorover hangen’.
Ondertussen is mama klaar met winkelen en ziet ze door de glazen ramen haar mannetjes bij de rolbaan staan. Ze loopt naar binnen om ze te roepen.
Bij het zien van Pepijn met zijn gescheurde broek en zijn met pijn vertrokken gezicht, schrikt mama hevig.
‘Wat is er gebeurd’ vraagt ze geschrokken.
‘Gevallen’ zegt Pepijn ‘ik moest zwevend achterover hangen en dat ging mis. Ging te ver achterover waardoor ik viel en de zweefapp mij snelheid gaf waardoor ik over de rolbaan schuurde naar beneden’.
‘Hé verdikkeme’ zegt mama ‘je moet wel een beetje voorzichtiger zijn met dat ding. Kost mij weer een nieuwe broek. Nou vooruit mee naar huis dan kan ik je schaafwond verzorgen’.
De mannen stappen in de auto en binnen enkele minuten zijn ze thuis. Mama zet voor de schrik een lekker kopje thee en zo zijn ze alles al weer snel vergeten.
“Ring” de bel gaat.
‘Wie kan dat nou zijn’ vraagt mama zich af.
‘Oh dat is Yorick natuurlijk, was ik even helemaal vergeten door alle toestanden op de roltrap, dat we vanmiddag naar de skatebaan gaan’.
‘Yes’ roept Juiën ‘leuk op de skatebaan’.
Mama schenkt ook een kopje thee in voor Yorick en zegt tegen Pepijn: ‘Zullen jullie dat nou wel doen naar de skatebaan terwijl je vanochtend zo raar gevallen bent?’.
‘Ik heb er zo’n zin in’ antwoordt Pepijn ‘en ik zal proberen voorzichtig te zijn en niet te vallen’.
‘Ben je zo gevallen dan?’ vraagt Yorick.
Pepijn vertelt het hele verhaal over de roltrap bij de Action en laat zijn schaafwond aan Yorick zien.
‘Zo, dat ziet er niet zo mooi uit’ zegt Yorick ‘en jij denkt dat je op de skatebaan niet gaat vallen?’.
‘Ja, maar de skatebaan is glad, dan glij je naar beneden. De roltrap heeft allemaal ribbels. Bovendien ga ik nu extra opletten zal je begrijpen’.
‘Yorick knikt en zegt: ‘Oké, het is aan jou, ik zal proberen een beetje op je te letten’.
‘Graag’ zegt mama Marije ‘want door die zweefapp hebben we nu wel zo’n beetje genoeg meegemaakt’.
Het is rond vier uur en de jongens besluiten naar de skatebaan te lopen. Tjalk door, langs de winkels, onder de spoorbaan door, even de Middendreef oversteken naar links lopen en ze staan bij het Zilverpark waar de skatebaan ligt. Het is rustig op de baan. Er is één jongen en één meisje actief.
De jongens genieten van de kunsten die de jongen en het meisje uithalen op hun skateboard.
‘Dat zou ik ook wel willen’ zegt Juliën.
‘Nou dat vergt veel oefening’ weet Yorick te vertellen. Hij kent de skatebaan van de verhalen van zijn vader die ooit een geoefend skater was. Diezelfde vader die ook gelijk de skatebaan voorzag van de mooie graffities.
‘Ik zal even iets vertellen over skatebanen’ zegt Yorick ‘het is ooit begonnen in leegstaande zwembaden in Amerika. Deze waren vaak onder aan de bodem rond waardoor de skater snelheid kreeg en probeerde op de rand te komen. Na het succes van de skaters werden er overal skatebanen gebouwd met vooral veel attributen en hindernissen die worden gebruikt voor de sensatie. Er worden hoge snelheden gehaald om zo hoog mogelijk te komen en de mooiste of moeilijkste trick’s of stunts uit te voeren. Deze worden beoordeeld op hun moeilijkheidsgraad bij wedstrijden’.
‘Nou dat ga ik echt niet doen’ zegt Pepijn bijna angstig.
‘Kijk ook maar uit’ zegt Yorick ‘deze baan is twintig bij veertig meter, dus best wel groot. Er zitten aan de bovenkant vaak bollingen die je snelheid geven en in het onderste gedeelte hollingen die je weer omhoog sturen. Het gaat allemaal razend snel. Zo wordt er met je skateboard gedraaid om alle assen zowel horizontaal als verticaal. Men maakt daardoor salto’s en schroeven’.
‘Schroeven?’ vraagt Pepijn.
‘Ja, een schroef is een draaiende beweging met je lichaam in de lucht’ antwoordt Yorick.
‘Ik wil naar huis’ zegt Juliën.
‘Niet zeuren broer konijn’ zegt Pepijn ‘we gaan het gewoon proberen’.
Ondertussen zijn de jongen en het meisje weggegaan en hebben de drie mannen de skatebaan voor zich alleen.
Pepijn staat boven aan en drukt op het pijltje omhoog. Hij hangt nu zo’n twintig centimeter in de lucht.
‘Succes’ roept Yorick ‘maar doe voorzichtig’.
Juliën draait zich om met zijn handen voor het gezicht. Hij durft niet te kijken.
Maar Pepijn doet het goed, hij kan door de smartphone zijn eigen snelheid bepalen. Hij wordt niet door de schuinte van de skatebaan naar beneden gegleden.
‘Perfect’ zegt Yorick ‘je gaat echt lekker’.
Juliën durft inmiddels ook te kijken en geniet toch wel van wat zijn “grote” broer hier presteert.
‘Het is leuk’ roept Pepijn enthousiast ‘van boven naar beneden en weer terug. Het is genieten’.
‘Doe maar geen salto’s of een schroef’ roept Yorick hem toe ‘dat is nu nog veel te gevaarlijk’.
Na zo’n half uurtje op de skatebaan bezig geweest te zijn, wordt Pepijn toch wel moe en zegt: ‘Jongens ik ga stoppen. Volgende week woensdag wil ik weer en dan wat meer oefeningen doen’.
‘Goed’ zegt Yorick.
En terwijl de drie jongens weglopen van de skatebaan richting huis, hebben ze niet gezien dat een andere jongen alles heeft gevolgd op afstand. Hij heeft verbaasd gezien hoe Pepijn over de baan zweefde zonder skatebord en met de smartphone in zijn hand. Die smartphone wil hij wel graag hebben en dus volgt hij de drie jongens op afstand om te weten te komen waar ze wonen.
Ze lopen inmiddels langs de Action en de Aldi richting Kruidvat.
‘Kijk’ zegt Pepijn ‘Juliën zegt altijd het Fruitkrat in plaats van Kruidvat. Daar moeten mama en ik altijd zo om lachen’.
‘Nou’ zegt Juliën ‘ik weet echt wel dat het Kruidvat is hoor, maar vind het gewoon leuk om het om te draaien’.
Wanneer de jongens langs de winkel van het Kruidvat lopen, gaan ineens alle beveiligingspoortjes af.
Er wordt vanuit de winkel geroepen: ‘Houd de dief, houd de dief!’.
En voor het gezicht van de drie jongens rent er een jongen naar buiten met een tas vol spullen. Pepijn bedenkt zich geen moment. Drukt op het pijltje omhoog en stuurt zichzelf achter de dief aan. Vlak voor de hoek bij de zonweringswinkel van Van Ewijk, draait Pepijn in hoge snelheid om de dief
heen. De dief blijft plotseling staan en net op dat moment klapt Pepijn tegen hem aan en vallen ze beiden op de grond.
Intussen zijn de mensen van het Kruidvat en een beveiligingsambtenaar van de Lidl aan de overzijde, ter plekke verschenen.
‘Wat een held ben jij’ zegt de beveiligingsambtenaar ‘flink hoor dat je hem zo achterna bent gerend en tegen de grond hebt gewerkt’.
De man pakt de dief in zijn kraag en zal hem wel overdragen aan de politie. Heel toevallig komt de wijkagent Patrick Nijhuis de hoek om lopen.
‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt hij op straffe en duidelijke toon.
De beveiligingsambtenaar vertelt wat hij gezien heeft en dat Pepijn met grote snelheid rondjes om de dief draaide en hem daarna tegen de grond werkte.
‘Ja, tegen de grond werken is hij goed in’ lacht de wijkagent ‘die ervaring heb ik ook met hem. Maar heb je nou wel of geen skateboard?’ vraagt hij.
‘Nee meneer’ antwoordt Pepijn ‘ik ben gewoon razendsnel, jokt hij.
‘Nou in ieder geval dank dat je deze dief hebt weten te stoppen, ik zal hem begeleiden in de boeien naar het politiebureau’.
En terwijl de wijkagent met de dief wegloopt, komen ook de mensen van het Kruidvat Pepijn bedanken. Hij krijgt zelfs een waardebon van wel twintig euro!.
‘Ik ben toch wel een beetje trots’ zegt hij tegen Juliën en Yorick.
‘Nou dat mag best’ vinden deze.
Waar hij echter niet trots op hoeft te zijn is de jongen die aan de overkant bij de ramen van de Lidl alles heeft gezien. De jongen die de klep van zijn pet eerst in zijn nek droeg, heeft de klep nu aan de voorzijde en ver voor zijn ogen geschoven zodat je zijn gezicht niet kan zien. Hij heeft gezien dat Pepijn zijn smartphone gebruikte om op te stijgen en naar voren te gaan. Hij zal er alles aan doen om te weten te komen waar Pepijn woont.
De drie jongens lopen nog een beetje met de schrik in hun benen richting huis op de Tjalk. Mama is gelukkig thuis. Na het verhaal van de dief bij het Kruidvat vertelt te hebben, krijgen ze van mama wat te drinken om op adem te komen. Waar ze geen erg in hebben is dat de jongen die hen gevolgd heeft, stiekem door het keukenraam naar binnen staat te gluren.
Mama zegt: ‘Je hebt nu al heel wat beleeft met die malle zweefapp, als je daar zelf maar geen last van krijgt’. Ze denkt: ‘omdat hij de enige in de wereld is met zo’n app, kan hij door zijn autisme toch een bepaald gevoel van afstand of eenzaamheid oproepen. Soms zelfs onbegrip of zich geïsoleerd voelen.
De volgende dag is het alweer donderdag, een gewone schooldag. Pepijn en Juliën worden door mama Marije opgehaald aan het einde van de schooldag.
‘We gaan nog even op straat spelen’ roept Juliën terwijl ze naar buiten lopen.
‘Vijf uur thuis’ roept mama ‘handen wassen en daarna eten’.
‘Oké’ roepen de mannen terug.
Ze gaan achter het huis spelen bij de grote vijver. Eerst een beetje voetballen en daarna kijken bij een meneer die zit te vissen.
‘Spannend’ zegt Pepijn.
‘Spannend?’ vraagt Juliën ‘je zit te wachten op iemand die je nog nooit gezien hebt’.
Dit is voor Pepijn inderdaad weer zo’n intense beleving, prikkeling en spanning om wat er gebeuren gaat. Daarom zal nooit iemand begrijpen wat autisme is. Je hebt er als autist 365 dagen per jaar, 24 uur per dag, dus eigenlijk je hele leven last van.
Hé daar komt Yorick aan lopen. Hij zegt: jullie mama vertelde dat jullie hier zijn dus kom ik even mee voetballen’.
‘We zitten even naar het vissen te kijken, maar kom op gaan we weer voetballen’, zegt Pepijn.
En al voetballend hebben de drie mannen volop plezier.
Plotseling horen ze een meisje schreeuwen: ‘Help, help ik verdrink’.
‘Wat is dat’ roept Juliën ‘er ligt iemand in het water’.
‘Chips’ roept Pepijn ‘inderdaad daar midden in de vijver ligt ze te spartelen’.
‘Wacht ik heb een plan. Hier ligt een plankje. Leg dit in het water en ga met je zweefapp er op staan’ zegt hij tegen Pepijn.
En terwijl Pepijn het plankje in het water laat glijden, gaat hij er op staan met zijn zweefapp. Yorick is intussen naar de visser gerend en gevraagd of hij een stuk hengel en het schepnet van de visser even mag lenen. Hij komt met de twee attributen terugrennen. Hij geeft het schepnet aan Pepijn en duwt het plankje onder Pepijn met de hengel naar het midden van de vijver, waardoor Pepijn gewoon mee zweeft.
‘Nu moet je met het schepnet de drenkeling redden’ roept Juliën vanaf de kant.
Pepijn duwt het schepnet onder het meisje door en “vangt” haar precies volgens plan van Yorick.
Pepijn pakt de hengel nu in de hand en Yorick trekt hem samen met het plankje weer naar de kant. Het meisje wordt uit het schepnet gehaald en begint van alle schrik en emotie keihard te huilen. Opeens komt de moeder van het meisje in een flinke draf aanlopen.
‘Wat is hier gebeurd?’ vraagt ze heel streng aan de jongens ‘ze is drijfnat, hebben jullie haar in het water geduwd?’.
‘Nee, nee’ stamelt het meisje tussen haar tranen door ‘ik ben tijdens het spelen in het water geraakt en naar het midden gedreven. De jongens hebben mij juist uit het water gered’.
Inmiddels komt ook de visser aanlopen die het allemaal van afstand gevolgd heeft. Hij zegt: ‘U mag wel heel dankbaar zijn aan deze drie knapen. Als ze niet zo kordaat hadden ingegrepen, was het allemaal heel anders afgelopen’.
‘Oh, gelukkig’ zegt de moeder ook nu met tranen in haar ogen ‘was bijna mijn kleine meisje verdronken. Hoe kan ik jullie voor altijd dankbaar zijn?’.
‘Nou’ zegt Juliën ‘een heerlijke marsreep gaat er altijd wel in’.
‘Nou’ zegt Pepijn ‘dat zeg je toch niet zo maar’.
Pepijn is weer duidelijk intens geraakt door het hele voorval. Zal vanavond wel weer slecht geslapen worden.
De moeder van het meisje is inmiddels wat lekkers voor de jongens gaan halen met een beetje drinken.
‘Jeetje’ zegt Pepijn ‘we moeten naar huis om te eten, maar ik heb eigenlijk al helemaal geen honger meer’.
‘Nou ‘zegt Yorick ‘als je weet welk toetje jullie mama heeft gemaakt, zit je binnen vijf minuten aan tafel’.
‘Ja, dat wel’ zegt Pepijn.
‘Wij likken altijd ons bordje van het toetje helemaal schoon. Mag normaal niet van mama, maar bij dit toetje wel’ zegt Juliën.
Yorick moet er om lachen wat Juliën zegt. Gedrieën lopen ze richting huis waar inmiddels ook Rémon de papa van Yorick is gearriveerd. De mannen vertellen vol trots wat het een uurtje geleden is overkomen. Mama en Rémon zijn ook trots op ze.
‘Ben ik nu een weldoener zoals Albaba zei dat ik moest worden?’ vraagt Pepijn.

Kempenaar 2644
8231 CL Lelystad
Plan je route