Lenie Suikerspiegel

Zomaar een verhaal uit het dagelijks gebeuren in Lelystad

Lenie suikerspiegel van het Gezondheidscentrum Kempenaar te Lelystad
Het was weer zover. Ik moest voor mijn driemaandelijkse controle bij de doktersassistente komen. Gewicht: te hoog! Bloeddruk: te hoog! Cholesterol: te hoog! Suikerspiegel: te hoog! Assistente Lenie kijkt mij aan alsof ik iets misdaan heb. Ik zeg: ‘Ben blij dat er eindelijk iets te hoog is, waren mijn cijfers op school maar zo!’ Lenie lacht maar heeft duidelijk geen plezier. Ze waakt medisch over mij alsof ik haar kind ben, maar we schelen daarvoor te veel in leeftijd, in mijn nadeel uiteraard. Ze kijkt op haar scherm en zegt: ‘Vorige keer was het allemaal nog zo mooi. Alleen de gemiddelde suiker was toen iets te hoog. U moet er wat aan gaan doen meneer Koreman.’ Ik ken Lenie al vele jaren, altijd even aardig en bezorgd, maar ze blijft “meneer” zeggen. En wederom laat ze mij het draaischijfje zien waarbij ik duidelijk in de rode gevaarzone sta. ‘Met een paar kilo eraf staat u al een stuk gezonder op de schijf.’ En ik geloof haar volledig. Ik kijk haar aan en ik krijg misschien net geen rode vlekken in mijn nek, maar ik schaam mij wel. Zij, die alles doet om mij gezond en in leven te houden, en ik die alles doet verslonzen. Dit moet veranderen. Ik vertel haar over mijn aanschaf van een hometrainer. Ik ben geen hardloper, wandelaar of sportschoolmens. Op de golfbaan maak ik gebruik van een golfkar, maar via mijn zoon ben ik aan de thuisfiets geraakt. Lenie adviseert mij nog: ‘Zet het apparaat voor de TV bij een programma dat je leuk of interessant vindt. Het “droogfietsen” en alleen voor je uitstaren, houdt niemand vol. Na tien minuten ben je het volledig zat.’ Weer een wijsheid als een koe waar ik niet omheen kan, denk ik. Ik wil mijn leven beteren al was het maar voor Lenie. Nee, dat is stom natuurlijk het is voor mijzelf! Lenie zegt: ‘Ik geef u een lijst mee om nuchter bloed te prikken in het ziekenhuis. U moet daarbij ook uw ochtendurine afgeven.’ Dit is normaal een jaarlijks gebeuren, maar in mijn geval twee maal per jaar. Zodra ze de uitslagen van het bloedonderzoek heeft, gaat ze in overleg met mijn huisarts dokter Ahmadi om eventueel in te grijpen in mijn medicatie, vertelt ze mij. Ze geeft aan, mij daarna te bellen om de uitslag van dat gesprek te bespreken. Met een bloedpriklijst onder mijn arm en veel dank, neem ik afscheid van Lenie. ‘Tot aan horens’ opper ik. Thuisgekomen bekijk ik de mee gekregen lijst. Assistente Lenie heeft een aantal kruisjes gezet bij o.a. Glucose voor mijn Diabetes 2 en voor Cholesterol. Ik kan het niet laten en kruis zelf nog even twee hokjes aan: voor PSA waarde (Prostaat) en Urinezuur (Jicht). Ik denk: als ze toch bezig zijn… Na een aantal dagen vervoeg ik mij bij het MC ziekenhuis in Lelystad. ’s Morgens rond half negen, zo nuchter als het maar kan. Zelfs medicijnen nog niet ingenomen en tanden niet gepoetst. Potje met warme ochtendurine in mijn zak. Lekker vroeg want je hebt daar zomaar dertig bloedprikkers voor je. Een half uur tot driekwartier wachten is hier heel gewoon, zeker als je nuchter moet verschijnen. Bij binnenkomst knikt een vriendelijke “vrijwillige” dame mij goedemorgen en vraagt of ik weet hoe het werkt. Uiteraard, ik ben hier ooit bijna vaste klant geweest. En door de ervaring ook iets afgeleerd. Er staat een zuil met een beeldschermpje waarop je kunt drukken of je alleen komt prikken voor de trombosedienst, of dat je komt prikken voor het normale bloedonderzoek en afgifte urine en dergelijke. Stom, stom, stom ik heb twee maal op het vakje tot twaalf jaar gedrukt. Dat is voor kinderen zodat ze voorrang krijgen. Dat heb ik dus afgeleerd. Blikken die konden doden doen je dan wel nadenken… Hoe werkt het bij onze bloedafname in het MC ziekenhuis. Je trekt dus een bonnetje met nummer uit de zuil met de reden waar je voor komt. Je neemt plaats in de grote doch overvolle wachtkamer. Met een beetje wringen kun je je op zo’n houten stoelplank zetelen. Er hangen drie grote TV schermen waarop allerlei nummers staan. Zodra het bonnetje met jouw nummer, dat uit de zuil komt, verschijnt, voeg je je naar balie 1 of balie 2 volgens het scherm. En na een goede twintig minuten verschijnt mijn nummer. Ik moet mij melden bij balie 1. Het potje met urine in mijn zak is niet echt meer warm, maar wel vers. Alhoewel ik mensen zie die met het potje urine in hun handen zitten te wachten, heb ik toch nog steeds een bepaalde gene en verstop ik het potje diep in mijn zak. Bij balie 1 tover ik het, bijna onzichtbaar, uit mijn jaszak en snel steek ik het over de balie waar een dame het van mij overneemt. Ik heb niet de indruk dat iemand het ritueel met het potje heeft waargenomen. Ik geef de bloedpriklijst van doktersassistente Lenie aan de dame en mijn ziekenhuiskaart ter controle dat ik ben wie ik ben. Ik moet nog wel even mijn geboortedatum opzeggen ter bevestiging dat ik het echt ben. De dame knikt en vraagt: ‘Bent u nuchter?’ Ik antwoord: ‘Ja, ik ben een nuchtere Amsterdammer, rustig en kalm, niet zo snel emotioneel en ik kan goed relativeren.’ De dame kijkt mij aan alsof ze urine ziet branden. Ze vraagt: ‘Is alles goed met u?’ Ik zeg: ‘Ja hoor, ik heb zelfs mijn medicatie niet genuttigd en mijn tanden ongepoetst gelaten. Alles voor de nuchterheid.’ Ze begint mij, geloof ik, een beetje door te krijgen dat ik in een jolige bui ben en begint tegengas te geven. Ze zegt, kijkend naar mijn potje met urine: ‘Is dat alles wat u er vanochtend uitgeperst kon krijgen?’ Schrik toch even van haar alertheid, maar herstel mij snel. ‘Zal ik nog even aanvullen? Ik heb nog wel wat reserve als ik mijn best doe.’ Ze vertoond een lieve glimlach, we begrijpen elkaar. Ik krijg een plastic mapje met mijn bloedpriklijst, mijn ziekenhuiskaart, mijn nummertje retour en een aantal stickertje met voor mij onduidelijke taal die op de flesjes bloed geplakt dienen te worden. Ze zegt: ‘Neemt u maar weer plaats in de wachtkamer tot uw nummer op het TV scherm verschijnt. Op het scherm staat bij uw nummer tevens in welke kamer u zich kunt melden.’ Ik groet en dank de dame voor haar begrip ten aanzien van mijn joligheid en wandel terug naar de wachtkamer. Ik neem plaats op de hardhouten plankstoel links naast een wat oudere heer. De stoel aan de andere zijde van mij is nog vrij en ik groet de oude man met “goede ochtend”. De man kijkt mij een beetje wazig aan. Of hij is nog niet wakker (voor oudere pensionarissen is half negen toch eigenlijk nog nacht, denk ik) of hij heeft last van glaucoom. Ik gok op het laatste. Hij groet mij terug in een dialect dat ik niet versta en hij begint een verhaal tegen mij af te steken. MC Zuiderzeeziekenhuis in Lelystad heeft een duidelijk provinciale functie. Mensen komen uit heel Flevoland, dus als iemand uit bijvoorbeeld Urk naast je zit en die in dialect tegen mij een Amsterdammer gaat praten, ontgaat mij een groot deel van zijn verhaal. Ik knik maar af en toe ja of nee al heb ik geen idee waar het over gaat. Plotseling haalt hij zijn zakdoek uit zijn rechter broekzak. Vouwt de zakdoek geheel open en spreid hem uit over zijn beide bovenbenen c.q. knieën. De zakdoek is duidelijk niet vers vanochtend uit de kast gehaald. Gezien de vlekken (Gadver) heeft hij hem al een aantal dagen in zijn zak. Uit zijn linker jaszak haalt hij een grote rode appel en uit zijn rechter jaszak een aardappelschilmesje. Ik denk: “Hij zal toch niet…” maar ja hoor hij begint op zijn gemak de appel te schillen. Tergend langzaam aanschouw ik het gebeuren naast mij. Om de een of andere reden raak ik geobsedeerd door het hele ritueel. Hij schilt de appel niet in het rond, maar van boven naar beneden in strookjes. Hij legt de strookjes keurig naast elkaar op zijn zakdoek. Als de appel is ontdaan van zijn schil, snijdt de man de appel door midden. Hij haalt het klokhuis en het steeltje in één beweging uit het hart van de vrucht. Dan snijdt hij de appel in mootjes en legt ze stuk voor stuk op zijn zakdoek. Dan draait hij zijn gezicht naar mij toe en zegt: ‘Ier eene blukkie’. En hoewel ik geen woord Urks spreek of versta, begrijp ik dat hij mij een stukje appel wil aanbieden. Hij heeft het stukje al in zijn grote vissershanden. Ik slik even en weiger het stukje appel, maar wil hem wel bedanken. En ik weet niet waarom, wil hem in zijn eigen taal antwoorden. Ik zeg: ‘Ne arg gaaf fan joe’. De man kijkt mij opnieuw aan terwijl er een stuk appel in zijn mond verdwijnt. Hij vraagt al kauwend: ‘Gé kumt van de walle?’ En weer ga ik de fout in. Ik verwar zijn vraag met de wallen in Amsterdam. ‘Nee, zeker niet uit de hoerenbuurt’ antwoord ik, ‘ik kom uit de Jordaan in Amsterdam.’ De man kijkt mij nu met grote, doch nog steeds wazige, ogen aan en zegt in verstaanbaar Nederlands: ‘Nee, met de walle bedoelen wij dat je van het vaste land komt. Op Urk praten wij nog altijd of het een eiland is. Kom je niet van Urk dan ben je een “vreemde” zoals wij dat zeggen.’ ‘Ah,’ zeg ik, ‘blij dat u ook Nederlands spreekt.’ Hij antwoordt: ‘Mit joe valt ok gien laand te bezeilen.’ Ik begrijp zoiets dat met mij geen land te bezeilen is. Verder houd ik het maar een beetje stil zodat de man zijn appeltje kan nuttigen. Na enige tijd zie ik dat hij zijn mesje in zijn zak van zijn colbertje stopt. Hij pakt de puntjes van zijn zakdoek en vouwt de hele handel met schillen erin, naar het midden. Het pakketje gaat compleet in zijn andere zak van zijn jasje. Hij haalt zijn mouw van zijn jasje langs zijn mond en staat op. ‘Gemurigen jelui’ groet hij mij en loopt de wachtruimte uit. Ik begrijp er helemaal niets van en kijk wat verbaasd om mij heen. De vrijwillige dame, ik bedoel natuurlijk de dame die hier vrijwillig werkt, komt naar mij toe en zegt: ‘Ha, ik zag u soms verbaasd kijken naar de man die net zijn appeltje naast u at.’ Ik zeg: ‘Ja, moest hij nou niet geprikt worden?’ ‘Nee, nee,’ zegt de dame, ‘de man komt hier één maal per week voor onderzoek naar zijn prostaat. Dat is op een andere afdeling maar hij vindt het zo gezellig om na zijn onderzoek, hier een appeltje te eten. Dat doet hij al drie maanden en we laten hem maar lekker genieten van zijn stukje fruit.’ Ik staar ondertussen naar het grote scherm met de nummertjes. Nog veertien mensen voor mij reken ik uit. Grappig is dat iedereen zijn nummer uit zijn hoofd kent, maar elke keer als er een nieuw nummer op het scherm verschijnt, zie je bijna iedereen teleurstellend van het scherm naar zijn/haar nummertje staren. Er is steeds maar één gelukkige winnaar. Naast mij heeft een dame plaatsgenomen, ik denk een Moslima, omdat zij een gewaad met hoofdbedekking draagt. Ik heb daar geen enkele moeite mee, als ik terug denk aan de Jordaan in Amsterdam, had bijna iedere vrouw vroeger een hoofddoekje en elke man een pet en een snor. Al was dat dan niet religieus bedoeld, maar meer uit armoede (dames hadden geen geld voor de kapper), vond ik het altijd wel wat hebben. Ze begroet mij in goed Nederlands maar wel met een zachte G. Klinkt grappig denk ik, een Moslima dame waarschijnlijk een vluchteling, die met een accent praat. Ik groet haar terug en complimenteer haar met haar duidelijk Nederlandse spraak. Ze lacht en zegt: ‘Ik ben in Brabant geboren en getogen, in Gemert. Mijn ouders zijn ooit in de zeventiger jaren van de vorige eeuw naar Nederland gekomen om hier werk en een betere toekomst te vinden. Mijn echtgenote kon werk in Lelystad vinden en zodoende wonen we nu hier. Maar ja, het Brabants leer je niet af hé? Ik knik dat ik het begrijp. Na enige tijd zie ik dat de dame een ietwat nerveus wordt. Bij elke piep dat er een nieuw nummer verschijnt, springt ze bijna van haar stoel. Ik vraag: ‘Heb je haast?’ ‘Jazeker,’ antwoordt ze, ‘ik moet om half tien mijn zoontje van school halen om met hem naar de huisarts te gaan. Het is al tien over negen. Ik ben hier nog nooit eerder geweest en wist niet dat het zo druk was, anders was ik wel eerder gekomen.’ Vervelend denk ik en zeg: ‘Wil je mijn nummertje gebruiken? Ik heb er nog zes voor mij.’ ‘Oh,’ zegt ze, ‘wat aardig van u, misschien dat ik het dan nog redt.’ Ik biedt haar mijn nummertje aan en kijkend op haar nummertje zie ik nog veertien voor mij. Ik besef ineens dat ik een half uur geleden ook al dat aantal mensen voor mij had. ‘Ik durf het bijna niet te vragen,’ zeg ik ietwat ongerust, ‘maar moet je nou die hele Boerka uittrekken om alleen in je arm geprikt te worden?’ De dame lacht en zegt: ‘Nee, dit is geen Boerka. Dit heet een Chador. Het is een Perzisch gewaad, een soort omslagdoek die je lichaam en je hoofd bedekt. Daaronder zit “normale” kleding. Eenvoudig dus om de omslagdoek even af te rollen. Mijn ouders komen van oorsprong uit Perzië, het huidige Iran.’ En dan gaat de piep van haar, voorheen mijn, nummer. Ze staat op, draait zich naar mij, legt haar handen op elkaar, maakt een kleine buiging en zegt: ‘U bent een goed mens. Nogmaals dank.’ Dan stiefelt ze op een soort slofjes de gang in naar kamer vier (zoals het scherm aangeeft) om zich te laten prikken.’ Mijn eerste goeie daad vandaag, denk ik. Maar ik ben nog niets opgeschoten. Naast mij neemt plaats een moeder met een klein meisje. ‘Ze moet geprikt worden,’ zegt de moeder bijna huilend. ‘Maar ze is zo bang en ik ook.’ ‘Tja,’ zeg ik als oude wijze opa, ‘dat zijn ook geen leuke dingen.’ Het kindje kijkt mij met betraande ogen aan. Ik smelt helemaal van haar aanblik en ga het zielig vinden. ‘Ze zouden iets anders moeten uitvinden om je bloed te testen,’ zeg ik wijselijk tegen de moeder, ‘zeker als het om kinderen gaat.’ Moeder knikt en ik zie nu haar tranen over haar wangen rollen. Ik denk: “Als nou die oude Urker nog in de buurt was, kon hij haar zijn zakdoek aanbieden. Maar nee, dat is een valse gedachte.” Maar om mijn zakdoek aan te bieden en vandaag een tweede goede daad te verrichten, komt even niet in mij op. Dan piept het scherm weer en moeder met kind staan op en lopen de gang in. “Oh ja,” denk ik, “kinderen hebben voorrang.” En dat terwijl ik nu bijna aan de beurt ben. “Stekkenpezer” noemen we zo iemand in Amsterdam. Iemand die jouw plaatsje inpikt. Ik moet in mijzelf lachen om deze gedachte. En warempel, we zijn een uur verder, verschijnt mijn nummer en kamernummer op het scherm met dank aan de Moslima. Ik begeef mij naar kamer drie. De deur wordt open gedaan door een dame die mij herkent en vraagt: ‘Ah, wat leuk u weer te zien, hoe gaat het met u?’ ‘Prima’ antwoord ik. De dame en ik kennen elkaar uit de tijd dat ik wekelijks moest prikken voor mijn diabetes. Tegenwoordig doe ik dat zelf thuis. De dame vraagt: ‘Ik heb een stagiaire die het prikken moet leren, heeft u daar bezwaar tegen? ‘Nee hoor’ antwoord ik terwijl ik naar de buisjes bloed kijk van mijn voorganger, die op een klein apparaat liggen te schommelen. De stagiaire, een leerling verpleger met een veel te grote witte jas en een te klein brilletje, kijkt mij aan, geeft mij een hand en vraagt: ‘Bent u bang voor het prikken?’ Ik zeg: ‘Nee, alleen een beetje prikkelbaar.’ Ik dacht, leuke woordgrap: prikken/prikkelbaar. Het joch begrijpt de link niet en kijkt wat dromerig voor zich uit. Ik zie de dame glimlachen, zij herkent mijn, soms flauwe, humor waarschijnlijk van vorige keren. ‘Al lang aan het prikken?’ vraag ik de stagiaire. ‘Nou,’ zegt hij, ‘bij de vorige patiënt ging het in één keer goed, er kwam alleen een blauwe plek naar boven. Soms heb ik nog wel eens dat een ader wegglipt of wegrolt zoals ze dat geloof ik noemen. Ik moet dan de naald uit uw arm halen en opnieuw proberen.’ Proberen? Denk ik, en ineens maakt een vreemd weeïg gevoel plaats in mijn buik. Ik zie de dame prikster glimlachen, ze ziet waarschijnlijk mijn gelaatsuitdrukking veranderen. Ik ben nog nooit bang geweest voor welke injectie dan ook, maar dit is toch wel even schrikken. ‘In welke arm wordt u het liefst geprikt?’ vraagt Dracula. Ik heb het idee dat hij mij straks in mijn hals bijt om het bloed eruit te halen. Dan kom ik weer tot bezinning en zeg: ‘Nou, daar wil ik wel even over discussiëren. Ik moet vanmiddag golfen en ik wil even weten of de prik in mijn arm, invloed heeft op mijn swing.’ De knaap kijkt mij aan en vraagt: ‘Hoe kunnen we dat te weten komen?’ ‘Heb je iets van een stok van ongeveer één meter?’ vraag ik. De jongen snelt weg en komt na enige minuten terug met een soort korte bezem. ‘Is dit wat?’ vraagt hij. ‘Uitstekend’ zeg ik. Ondertussen zie ik de dame een beetje kleuren. Waarschijnlijk duurt het haar allemaal veel te lang, maar is ze wel nieuwsgierig wat er gaat gebeuren. Ik plaats mijn voeten naast elkaar, de stok naar beneden bijna op de grond en doe alsof er een golfbal bij mijn stok op de grond ligt. Dan maak ik met de stok een slag naar achteren tot boven mijn rechter schouder en direct weer langs beneden omhoog naar mijn linker schouder. Een complete swing dus. Ondertussen raak ik bij de swing met een harde klap het schot achter en voor mij, dat het prikkamertje scheidt van de andere kamertjes. Direct komen er vanaf beide kanten zusters en patiënten kijken wat er gebeurt. Ineens staan er dus acht mensen in ons prikhokje. Mijn prikdame lacht en zegt: ‘Niets aan de hand hoor, we moesten even iets onderzoeken.’ De nieuwsgierige gasten halen hun schouders op en gaan weer terug naar hun eigen prikeiland. ‘En?,’ vraagt de stagiaire, ‘bent u er uit welke arm het meest geschikt is?’ Ik lach en zeg: ‘Het maakt niet uit, mijn arm vouwt zich zowel links als rechts helemaal dicht, dus kies jij maar een arm.’ Het joch kiest voor mijn linker arm (voor de kijkers rechts) en geweldig het lukt hem in één keer. ‘Hoeveel buisjes bloed tap je wel niet af?’ vraag ik hem, het lijkt niet op te houden. ‘Vijf buisjes,’ meneer ‘geheel volgens uw lijst.’ Dan legt hij een verbandje met tape aan op de prikplek in mijn arm en haalt de afdrukband van mijn bovenarm. Het is klaar. De prikdame zegt tegen de stagiaire: ‘Goed gedaan, je moet alleen, zodra het eerste bloed in een buisje stroomt, de afdrukband aan de arm los maken. Nu deed je dat pas op het laatst.’ Ik probeer weer leuk te zijn en zeg: ‘Inderdaad, als je niet had opgelet, liep ik nu door het winkelcentrum met die band om mijn bovenarm.’ De jongen lacht, maar heeft volgens mij geen lol. De prikdame zegt dat ze de uitkomsten van het bloedonderzoek zal doorgeven aan de huisarts. Ik bedank beiden en stiefel de lange gang terug naar buiten het ziekenhuis. Na twee maanden moet ik mij weer melden bij Lenie suikerspiegel. Na wat gepraat te hebben stelt ze voor dat ik mijn bloed eens laat prikken om alle waarden weer eens te vergelijken. Ik zeg: ‘Maar dat heb ik twee maanden geleden gedaan. Heeft het ziekenhuis deze gegevens nog niet doorgegeven?’ ‘Ja,’ antwoordt Lenie, ‘ik zie wel gegevens die doorgegeven zijn, maar dat is niet volgens mijn lijst.’ ‘Hoezo?’ vraag ik verontwaardigd. Ze antwoordt: ‘ik zie hier uitslagen die ik niet heb aangevraagd onder andere, uw PSA en Urinezuur.’ Op dat moment kleur ik tot in mijn nek en stamel: ‘Sorry, dat heb ik zelf aangekruist op de lijst. Uit nieuwsgierigheid.’ Lenie kijkt mij nu aan en zegt: ‘Maar meneer Koreman, gaan we nu zelf doktertje spelen?’ Ik schaam mij echt en bedenk dat ik het net zo goed aan haar had kunnen vragen. ‘Nooit meer doen hoor,’ zegt ze, ‘gewoon vragen dan kruis ik het wel aan.’ Precies wat ik dacht. Gelukkig waren al mijn waarden weer een beetje op niveau en maakten we een afspraak voor over drie maanden. ‘Ik geef u nog wel even een nieuwe bloedpriklijst mee om dit jaar nogmaals uw waarden te controleren. En niet zelf op de lijst dingen aankruisen hé. Tot over drie maanden!’
Ger Koreman
Kempenaar 2644
8231 CL Lelystad
Tel. 0654348108

Kempenaar 2644
8231 CL Lelystad
Plan je route